U bevindt zich hier: Sleutelfiguren/Jan van Dok

Mindert Aardema

"Als we dan bij dat koude weer om een dik turfvuur brood zaten te eten en een grote kom koffie dronken, zwarte koffie, dan waren de gesprekken meestal over dat zware werk en het kleine loontje. Het daggeld was toen 65 cent en 's zomers 1 gulden. Ik luisterde dan naar al die gesprekken. In die dagen waren de verveners wel verenigd, maar de arbeiders niet. De meeste verveners hadden een winkel waar dan wat boodschappen konden worden gehaald. 's Winters wat borgen en 's zomers weer wat oversparen. Eénmaal in het jaar moest worden afgerekend. Er werd toen verteld, dat op het orgel werd voorgespeeld: 'Zet de tering naar de nering, anders krijgt de nering de tering.'"

Naar aanleiding van al dat geklaag over het kleine loon, kwam ik op het idee dat de arbeiders eens bij elkaar moesten komen. Hoe moest ik dat klaar spelen? Het was in 1899. Mijn moeder had verf en papier dat om textiel gezeten had. Ik heb toen dat papier in stukken geknipt en een vergadering uitgeschreven op 7 februari, in Café IJ. Wolters. De stukken papier heb ik bevestigd aan bomen, op turfbulten, overal waar 's morgens maar arbeiders voorbij moesten. En dat sloeg in. We zaten weer om het vuur te broodeten.
G. Tabak kwam toen voor de dag en zei dat de arbeiders wilden vergaderen. Ze zeiden toen allemaal: 'Daar gaan we naar toe.' Ik zei niets, maar ik had binnenpret.
Mijn vader ging er ook heen. Er werd een arbeidersvereniging opgericht. Jan Kuipers werd president. Ik vroeg toen aan mijn vader wat ze samen hadden besloten. Men had besloten per roe tien cent meer te vragen voor het droogmaken en tien cent meer voor het baggeren. Ik dacht als de verveners daarmee eens akkoord gingen, dat zou voor ons gezin 100 gulden per jaar meer zijn. We konden in een jaar 1000 roe droogmaken. Een roe is 4 bij 4 meter is 16 m2. Onze baas J. Kalsbeek kwam toen bij ons op het werk. Hij zie tegen mij: 'Wil je wel een dag rond de verveners gaan en zeggen dat ze op de vergadering komen om te praten over de loonsverhoging van de arbeiders.' Zo gezegd zo gedaan. De loonsverhoging werd ingewilligd op de vergadering. Mijn kwajongensstreek was gelukt. De arbeiders hadden nu een arbeidersvereniging zonder politiek. De vereniging heeft bestaan tot 1914. Er werden heel wat verbeteringen aangebracht in het belang van de arbeiders. Ik werkte voor vol mee, maar ik heb er nooit een diploma voor gehad."

Uit: Uit het leven van een veenarbeider