De lonen van de arbeiders op het land lagen sinds oude tijden al lager dan in de stad. Er werden per boer of dorp afspraken gemaakt over het loon. In 1897 is de Nederlandse Bond van Land arbeiders (NBVL) opgericht onder leiding van Willem Luttje die m.n. in de veenkolonies actief was. De NBVL was aangesloten bij het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS). Het NAS was gelieerd aan de SDB van Domela Nieuwenhuis. In 1907 gingen na een succesvolle staking o.l.v. Luttje de lonen omhoog. Toch kon de NBVL zich niet continueren, een weerstandskas ter ondersteuning van stakende arbeiders werd principieel afgewezen.
Er ontstond een jarenlange tweestrijd tussen de "oude" syndicalisten in het NAS en de "nieuwe" beweging van de vnl. sociaal democraten, het NVV . In dezelfde periode ontstond er in noord Groningen op de klei de "Noorderbond", een samen gaan van werkliedenverenigingen met als stuwende kracht de onderwijzer Bleishuizen. De Noorder bond kwam niet goed uit de verf. In 1907 werd de Nieuwe Nederlandse Bond van Landarbeiders (NNBL) opgericht waarin ook de zuivelarbeiders o.l.v. P.Hiemstra onderdak vonden. De NBBL, later Nederlandse Landarbeiders Bond (NLB) sloot zich aan bij het NVV. Na een aarzelende groei slaagde de bond er in om in 1913 de eerste Nederlandse landbouw-c.a.o. af te sluiten. Er begon een sterke groei van deze NVV bond met wisselend succes. Per regio werden looneisen gesteld met als gevolg dat ook de boeren zich regionaal gingen organiseren. De tot voor kort liberale en soms progressieve boeren schoven als reactie op naar rechts en probeerden door uitsluiting en rekken iedere beweging van de arbeiders tegen te gaan.
Tijdens de eerste wereldoorlog waren de kosten van het levensonderhoud sterk gestegen. Dat versterkte het gevoel van de arbeiders om meer loon te vragen. Er was een revolutionaire situatie in West Europa ontstaan. De boeren hadden goed verdiend aan de m.n. Duitse voedseltekorten. Toen in 1919 de voorstellen van de NLB in april voor nieuwe arbeidsovereenkomsten door de boeren werden verworpen door de boeren brak er een staking uit. Het standpunt van de christelijke landarbeiderbond was nogal merkwaardig: kort voor de aanvang van de staking sloot zij een overeen komst met de christelijke boerenbond. Er werd een veel lager loon afgesproken dan het NVV aan de neutrale boeren vroeg. Toch werd de staking van het NVV bij de neutrale boeren ondersteund door de christelijke bond. Vele christelijke arbeiders waren flinker dan hun bond en staakten mee!
De boeren hadden zich in een neutrale "Bond van Werkgevers in de Landbouw" georganiseerd en de christelijken in wat later de "Christelijke Boeren en Tuinders Bond" zou worden. De neutralen werden geleid door Derk Tonko Barlagen die bij de oprichting al opmerkte dat deze organisatie "voor de arbeiders een schrikbeeld zal zijn". Zijn broer, Bouwe Marcus Barlagen leidde de christelijke boeren.
De boeren in Oost Groningen probeerden de andere boeren uit de provincie mee te krijgen met het verzoek alle modern georganiseerden (bij NVV aangeslotenen) uit te sluiten van het werk, ook al moest de oogst verloren gaan. De uitsluiting werd maar zeer gedeeltelijk doorgevoerd, vele boeren voelden niets voor deze fundamentalistische strijd.
Na ruim 11 weken werd de staking opgeheven. Onder leiding van Piet Hiemstra werd de strijd door de NLB gewonnen. Het afgesproken loon lag hoger dan dat wat de leiding van de christelijker arbeiders met de boeren hadden afgesproken. Deze overwinning was mede te danken aan het feit dat ook ongeorganiseerden en de christelijke arbeiders mee hadden gestaakt. Onder moeilijke omstandig heden was een NVV bond op de kaart gezet zoals we dat nu zouden zeggen. Tien jaar later is in oost Groningen langdurig gestaakt. Zelfs heden ten dage zijn de sociale verhoudingen in deze streek nog steeds gekleurd door wat er in 1919 en in 1929 is gebeurd. De acties in 1929 komen in de maand mei aan de orde.
Gebruikte literatuur:Jan Rootlieb
7 maart 2006