Omstreeks 1910 waren er in ons land 100 machinefabrieken, met tezamen ongeveer 17.000 arbeiders. Eene daarvan te Amsterdam, met 2000, en eene te Hengelo met 1150 arbeiders, konden tot het zeer groote bedrijf gerekend worden. Wanneer men in aanmerking neemt, dat Nederland geen ijzer hoegenaamd produceert en dat de machine-fabrikage uit het ambacht, het eenvoudige smidsbedrijf, is voortgekomen, blijkt hieruit een merkwaardige groei. Kenmerkend voor de machine-nijverheid in ons land is verder, dat zij zich ontwikkeld heeft in verband met de lokale behoefte aan reparatie, vernieuwing van onderdelen, enz., - vandaar dat zij niet in een streek geconcentreerd, maar over het gehele land verspreid is, al overheerscht zij in die streken, waar andere takken van nijverheid, met name de scheepsbouw, zich gevestigd hadden.
"Wat de scheepsbouw betreft, - in 1874 telde Nederland meer dan 600 werven. Dit waren echter meest kleine inrichtingen, waar houten vaartuigen werden gebouwd. Naarmate de bouw van ijzeren stoomschepen toenam, maakte de concentratie vorderingen. In 1906 bedroeg het aantal werven nog ruim 400 met ongeveer 18.000 arbeiders. De grootste 120 inrichtingen in dit bedrijf hadden toen tezamen ruim 6800 personen in dienst: op de 3 allergrootsten, te Amsterdam, Rotterdam en Vlissingen, werkten resp. 1070, 1400 en 1435 arbeiders."
Uit: Kapitaal en arbeid in Nederland