We denken als vakbond wel eens dat we groot zijn, maar dat komt doordat we op schouders van reuzen
staan, aldus FNV-voorzitter Lodewijk de Waal. In het FNV-gebouw in Amsterdam nam hij op 18 juni het eerste
exemplaar in ontvangst van de memoires van de katholieke vakbondspionier Henk Kuiper. Ik ben ervan
doordrongen, en ik weet dat mijn collega-bestuurders dat ook zijn. Ik noem de vakbeweging altijd bij uitstek
een beweging van het gewone volk. Gewone mensen hebben die groot gemaakt, maar omgekeerd heeft de
vakbeweging aan gewone jongens als Henk Kuiper ook de gelegenheid geboden grote hoogten te bereiken.
De Waal ontving zijn exemplaar uit handen van Arie Kuiper, zoon van Henk en oud-hoofdredacteur van
weekblad De Tijd. Hij redigeerde de memoires van zijn vader en leidde die in. Jan Roes, directeur van het
Katholieke Documentatie Centrum, schreef er een voorwoord bij. Hij was degene die Kuiper in 1976 urenlang
bandjes met herinneringen liet inspreken.
Voor uw KN-journalist is de boekpresentatie een bijzondere gelegenheid. Henk Kuiper is namelijk mijn grootvader, naar wie ik ben vernoemd. Ik woonde bij hem in zijn grote Utrechtse huis in Tuindorp toen hij in 1985 overleed. Arie Kuiper is een van de vele jongere broers van mijn moeder, oudste dochter uit een gezin van dertien kinderen. Mijn grootvader was een grage en goede verteller, met als enige minpuntje een nogal gedetailleerde verteltrant, noodlottig ondersteund door een ijzeren geheugen. In het boek heeft zoon Arie niets geschrapt of toegevoegd en wie Henk Kuiper gekend heeft, hoort hem bij het lezen weer spreken, vooral het steeds weerkerende 'jôh', dat hij uitsprak zoals alleen een geboren Hagenees dat kan.
Henk Kuiper groeide op in een Nederland waarvan zijn kleinkinderen zich al geen voorstelling meer kunnen maken. Zijn vader Willem was tuinarbeider in Loosduinen. Uitbuiting en misbruik waren regel. Bittere armoede heerste alom. In 1904, toen Henk zeven was, zag hij zijn vader in woede ontsteken. De vrouw van een van zijn collega's bleef zonder een cent inkomen achter, toen haar man gestorven was na een trap van een paard. Zijn vader richtte een vereniging van katholieke land- en tuin- arbeiders op, die van de patroons eiste dat er een minimale ongevallenverzekering zou komen. Het leidde tot een keiharde confrontatie met de patroons. Henk moest pamfletten rondbrengen en werd zo al vroeg in het vakbondswerk ingewijd.
Henks moeder was ziekelijk. De zorg voor het gezin en het huishouden kwamen op zijn vader neer, hoewel die in de zomer moest werken van 's ochtends vier tot 's avonds acht. Toen hij op twaalfjarige leeftijd van school kwam, moest Henk werk zoeken. Hij vond een aardige beste tuinder, bij wie hij het uitzonderlijke weekloon van twee gulden wist los te praten. Henk bracht het in triomf naar zijn vader. Ik kom thuis en de petroleumlamp hing boven de tafel in de huiskamer. Mijn vader zat al aan tafel met mijn moeder en ik legde twee gulden voor hem neer. 'Wat is dat?', zei hij. 'Dat is mijn loon.' 'Verdien jij twee gulden in de week?' 'Ja.' Als ik daaraan terugdenk voel ik nog steeds een brok in mijn keel. Ik heb in mijn hele leven twee zoenen van mijn vader gehad. De eerste op die avond, hij trok me op zijn knieën en gaf me een zoen. En de laatste in de nacht dat hij is gestorven. Het was werkelijk een van de belangrijkste momenten uit mijn grootvaders leven. Hij placht er zijn kinderen maar ook zijn kleinzoon aan te herinneren, te pas en te onpas: als twaalfjarige verdiende hij al het volle loon! Het werd met stemverheffing gezegd, zelfs toen hij de tachtig al was gepasseerd.
Henk trad als in 1919 in dienst bij de Katholieke Land- en Tuinarbeidersbond Sint Deusdedit opgericht en voorgezeten door het latere Tweede-Kamerlid A.J Loerakker. Drie jaar later trad Henk in Haarlem in het huwelijk met diens dochter Sien. Er kwamen al snel kinderen, van wie mijn moeder de tweede was. Als bondsbestuurder kreeg hij het aan de stok met Mgr. Hopmans, bisschop van het bisdom Breda, die weinig van vakbondswerk moest hebben. A.J Loerakker moest overkomen om hem te bekeren: Monseigneur, nou moet u eens goed luisteren. Ik ben net zo goed katholiek als u. (. . .) Maar ik vertel u als bisschop: wat hier in dit bisdom nodig is, nodiger dan een triduum, nodiger dan een algemene H. Communie, nodiger dan een missie, dat is dat wij de arbeiders hier in een katholieke bond organiseren voordat de socialisten het komen doen." De bisschop had er niet van terug.
Henk Kuiper schopte het als 'gewone jongen'ver. Hij bereikte de top van de vakbeweging en grossierde in bestuursfuncties. Hij werd directeur van de Sociale Verzekeringsbank en Eerste Kamerlid voor de KVP. Een bijzondere rol speelde hij in de oorlog, toen hij zich inzette voor de katholieke joden. Hij werkte samen met Titus Brandsma. Hij werd gijzelaar in Sint-Michielsgestel, maar werd vrijgelaten bij de geboorte van zijn dertiende kind. Bovendien was hij vertrouwensman van Kardinaal de Jong. Laat gauw Kuiper komen, fluisterde diens medewerkers, wanneer de Kardinaal weer eens zwaarmoedig was. Zijn levenslust en geloofsvertrouwen misten op de prelaat nooit hun uitwerking. Bovendien was Henk Kuiper voor niets of niemand bang. Bijzonder spannend was zijn contact met de Duitse 'dubbelagent' Fritz Kern. Deze pseudo nazi waarschuwde hem weken van tevoren voor Hitlers inval in Rusland. Maar ook confrontaties met hoge bezettingsofficieren doorstond Henk Kuiper met een rechte rug.
Diezelfde stoerheid zou zijn kleinzoon, beter dan wie ook, leren kennen in zijn laatste jaren. Mijn grootvader was toen weduwnaar, vereenzaamd door doofheid en tenslotte zwak en zo stijf als een plank. Ik heb hem soms in ontluisterende situaties aangetroffen, wanneer fâcades geen enkele zin meer hebben. Toch heb ik hem nooit horen klagen, of op het geringste zelfmedelijden betrapt. Tegen wie het toch waagde iets medelevends te zeggen, zei hij korzelig: Zeur niet, jôh! De dood keek hij net zo onverschrokken in de ogen als destijds de bezetter. Ik ben klaar om voor mijn Schepper te verschijnen. Mijn grootvader stierf in maart 1985. Zijn wandelstok staat op mijn werkkamer. Ik denk nog vaak aan hem.