Glas- en aardewerk zijn sinds mensenheugenis ambachtelijke producten. Vrijwel elke plaats heeft wel een pottenbakkerij gehad die zijn waren fabriceerde voor de lokale markt al waren er ook die exporteerden. De glas- en aardewerkfabricage wordt al vroeg 'geïndustrialiseerd'. Vooral Regout in Maastricht is bekend en berucht geworden vanwege de abominabele arbeidsomstandigheden. De uitbuiting van de glas- en aardewerkers elders in het land doet daar echter niet veel voor onder.
Aardewerk maakt in de 17e en 18e eeuw Delft wereldberoemd. Het succes komt voort uit productieverbeteringen. Het gebruik van een nieuwe grondstof - mergel, uit Engeland en Doornik, gemengd met vaderlandse klei - nieuwe werktuigen voor glazuren en bakken en nieuwe decoratietechnieken brengen het aardewerk, waaronder het 'Delfts blauw', in een duurder en luxer marktsegment. In het tweede kwart van de 18e eeuw verliest het Delfts aardewerk aan betekenis door de concurrentie van Saksisch-, Frans- en vooral Engels porselein. Het Engelse porselein is goedkoper en harder, dus duurzamer dan het fraaie, maar broze Delfts aardewerk. Zijn er in de bloeiperiode van de aardewerkindustrie (ca.1650 - ca. 1760) een dertigtal plateelbakkerijen; in 1800 zijn dat er nog maar tien en in 1854 nog slechts één; de ook nu nog bestaande 'De Porceleyne Fles'. In tijden dat De Porceleyne Fles een voorspoedige ontwikkeling doormaakt, behoren de lonen tot de hoogste in Delft. In jaren van economische crisis worden de lonen verlaagd tot het laagste niveau. Het arbeidsintensieve karakter van de productie speelt daarin een grote rol. In 1922 bijvoorbeeld zijn de loonkosten 66% van de totale kosten. In 1890 worden voor de werknemers bij het bedrijf een ziekengeld en een pensioenvoorziening ingevoerd met zeggenschap van de werknemers zelf. Het best betaald worden de schilders die ook qua werktijden een voorkeurspositie hebben. Al in 1902 kennen zij een werkdag van acht uur, terwijl de andere personeelsleden tien uur per dag moeten werken.
Op 28 januari 1887 wordt de geneeskundige Dr. B. Carstens, adjunct-inspecteur van het geneeskundig Staatstoezicht in de provincies Zuid-Holland en Zeeland, door de Parlementaire Enquêtecommissie verhoord. In dit verhoor komen ook de omstandigheden in de glasindustrie te Leerdam aan bod, nadat uitvoerig over de vlasindustrie is gesproken. Kennelijk zijn de omstandigheden in de vlasindustrie de heren van de Enquêtecommissie niet meegevallen hetgeen tot uiting komt in hun vraag: "Wij hebben thans de donkere kanten bekeken. Hebt gij ook iets goeds te vertellen van de provincie? Dat zal er toch ook wel zijn?" Het antwoord en het vervolg van het gesprek laten we verder voor zich zelf spreken.
Dat is te Leerdam?
En zijn het zeer kleine jongens?
Moeten zij er lang achtereen inblijven? Als ik het dus goed begrijp, heeft men daarvoor ook eene ploeg van jongens?
Worden de jongens, behalve voor het halen der voorwerpen uit de koelovens, ook gebruikt bij het blazen van glas?
Weet gij ook of er dag en nacht gewerkt wordt?
Dus bij dat nachtwerk worden ook die jongens gebruikt?
|
In 1904 gaan de glasfabrikanten in Zuid-Holland over tot een loonsverlaging. Na een mislukte onderhandeling besluiten de Nederlandsche Glasblazersbond, die afdelingen kent in Schiedam en Vlaardingen, Patrimonium en het RKWV de strijd gezamenlijk aan te binden. Er wordt gestaakt in Schiedam, Vlaardingen, Delft, Leerdam, Capelle a/d IJssel, Nieuwekerk a/d IJssel en Zwijndrecht. De eendracht tussen de drie organisaties is echter van korte duur. Ieder voor zich organiseert een inzameling van steungelden - een stakingskas is nog niet voorhanden - uitsluitend voor de eigen leden en dat geeft genoeg aanleiding tot onderling wantrouwen. Na enige weken krijgt het gezonde verstand echter weer de overhand en de samenwerking wordt hersteld, maar het wantrouwen is gezaaid. Na een drie maanden volgehouden strijd verloopt de staking en gaan de glasblazers weer aan het werk onder aanvaarding van een bemiddelingsvoorstel. De staking is weliswaar niet erg succesvol, maar het haalt de glasblazers wel uit hun doffe berusting en is aanleiding tot verdere organisatie.
Er bestaan slechts enkele plaatselijke verenigingen van glas- en aardewerkers op het moment dat het nog maar één jaar oude NVV een oproep doet om een landelijke vereniging te stichtten voor glas-, aardewerkers en steenbakkers. Op 3 maart 1907 wordt een start gemaakt met 384 leden, waarvan een belangrijk deel werkt in de Maastrichtse aardewerkindustrie. Naast Maastricht zijn er in de aanvang nog afdelingen in Delft, Schiedam en Vlaardingen. De NVvGA is gedurende haar bestaan bij een aantal kleine en grote stakingen betrokken, onder meer de staking in 1912 voor het afschaffen van de nachtarbeid door flessenmakers en de staking in 1918 die wel een half jaar duurt aan de glasfabriek van A.J. Bakker te Nieuw-Buinen. In de kern gaat het bij deze staking om het recht van organisatie. Om de staking vol te houden werkt een grote groep stakers gedurende drie maanden in Duitsland. De staking wordt een volledige overwinning voor de werknemers.
Sedert 1910 wordt er door de werknemers in de glasindustrie aangedrongen op het afschaffen van nachtarbeid en het invoeren van een 48-urige werkweek. Als wederom in 1912 de onderhandelingen mislukken breken er stakingen uit in Delft, Leerdam en Vlaardingen, enige tijd later gevolgd door stakingen bij de glasfabrieken 'De Schie' en 'Deventer & Co. te Schiedam. Op de achtergrond speelt mee in dit conflict het voornemen tot mechanisatie van de flessenfabricage. De werknemers vrezen vermindering van werk en dus werkloosheid. Tegen deze dreiging wordt verkorting van de werkweek gezien als een wapen ter verdediging. Na ongeveer twee maanden biedt een arbitragecommissie haar diensten aan. De bemiddeling is succesvol waardoor de staking kan worden opgeheven. Het bemiddelingsvoorstel houdt in dat bij een drietal fabrieken proef wordt gedraaid met een werkweek zonder nachtarbeid. Het eindresultaat van de proef is dat met name bij de flessenfabricage nachtarbeid noodzakelijk is die wordt dan ook weer bij de proefbedrijven ingevoerd. De conclusie wordt door de NVvGA aangevochten. In een door haar uitgebrachte brochure wordt de conclusie dat de nachtarbeid niet kan worden afgeschaft geheel onjuist genoemd. Even dreigt het tot een nieuwe staking te komen, maar het tijdstip is niet gunstig. De machinale fabricage heeft zojuist zijn intrede gedaan. Het conflict heeft voor enkele stakers te Schiedam nog een merkwaardig staartje. Zij worden niet toegelaten op de kieslijst als kandidaat voor de gemeenteraad. Om je verkiesbaar te kunnen stellen moet er een ononderbroken dienstverband van 13 maanden zijn en staken is tenslotte niet werken en telt niet mee. De SDAP doet vergeefs een beroep op het gemeentebestuur voor dispensatie.
De NVvGA groeit geleidelijk, maar is door haar beperkte arbeidsterrein gedoemd een kleine organisatie te blijven. Daar komt bij dat ze er niet in slaagt om op een van haar werkterreinen, de steenbakkerijen, aanhang te verwerven. Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog gaat veel afzetgebied voor de glas- en aardewerkindustrie verloren. De productie wordt ingekrompen en die van enkele fabrieken zelfs geheel gestopt. Na de oorlog heerst er onder de glas- en aardewerkers een grote werkloosheid die nog wordt vergroot door mechanisatie. De vermindering van werkgelegenheid werkt door in het ledental. Zijn er in 1920 nog ruim 2.700 leden in 1926 telt de organisatie niet meer dan 1.770 leden en dat is te weinig om zelfstandig voort te bestaan. Bovendien is sedert 1917 de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) - evenals de NVvGA een organisatie die in 1907 op initiatief van het NVV tot stand is gekomen - aan de slag gegaan om de steenbakkers te organiseren. Twee organisaties binnen één vakcentrale die zich bezighouden met de glas- en aardewerkers is toch niet zo effectief, en in 1926 besluiten beiden organisaties om te fuseren en verder te gaan onder de naam van de laatste.
Het Gouds plateel is tientallen jaren een huishoudelijk begrip. Aanvankelijk is het alleen een seriematig product, maar later wordt ook fraai gedecoreerd serviesgoed afgeleverd. De belangrijkste producent is de Koninklijke Plateelbakkerij Zuid-Holland. De Koninklijke slaagt erin de Crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog te overleven, maar gaat in de 'moderne tijd' ten onder. In 1965 sluit de Koninklijke Plateel de deuren. Het Goudse plateel is nu een collectors item. Er bestaat een goede nagedachtenis aan het product, maar ten aanzien van de arbeidsomstandigheden is dat minder het geval. In 1928 doen de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders en de Nederlandsche R.K. Fabrieksarbeidersbond 'St. Willibrordus' voorstellen om een cao aan te gaan voor de Goudse aardewerkindustrie. De voorstellen worden per kerende post door de fabrikanten afgewezen. Niet alleen nieuwe voorstellen vinden geen genade bij de aardewerkfabrikanten, maar ook het gebruik om 25% van de volwassenen en 50% van de jeugdigen beneden het normale loon te betalen willen ze handhaven. Een conflict is onvermijdelijk en op 23 augustus gaan 125 werknemers van de Koninklijke Plateelbakkerij Zuid-Holland in staking. De keus om alleen bij de Koninklijke in staking te gaan is een bewuste strategie van de werknemers. Als de staking twee maanden voortduurt en enkele bemiddelingspogingen zijn mislukt besluiten de fabrikanten om de productie van de Koninklijke over te nemen. Als gevolg daarvan wordt de staking op 15 oktober uitgebreid en gaan ook de werknemers bij Goedewagens, Regina en Zenith in staking. De staking die een half jaar duurt kan met een overwinning van de werknemers worden afgesloten. De lonen en andere arbeidsvoorwaarden worden in een cao geregeld. Er gaat een minimumloon gelden en tariefwerk wordt voortaan met 15% beloond. De gehate betaling beneden het normale loon is afgeschaft en mede vanwege de tariefwerkafspraak stijgen de lonen gemiddeld met zo'n f3,- per week. Bij de staking zijn in totaal zo'n 300 werknemers betrokken. Gedurende de gehele periode die de staking duurt blijft de stemming onder de stakers uitstekend.