U bevindt zich hier: home

De eerste vrouwenstaking in Nederland januari 1890

Op 3 januari 1890 begon bij vlasspinnerij van Dumonceau de eerste vrouwenstaking in Nederland. Deze actie duurde drie weken.

Wat vooraf ging

In Groningen heerste tijdens de eerste helft van de 19 e eeuw net als in de rest van het land economische malaise. In 1847 leidde dit tot een hongeroproer in de stad Groningen, dat met militair geweld werd onderdrukt. Ondanks verbetering van de infrastructuur in de jaren zestig en zeventig door middel van het slechten der wallen, het graven van nieuwe kanalen en het aanleggen van spoorwegen bij de stad, groeide de nijverheid alleen in de veenkoloniën. In 1890 waren er in de stad Groningen maar twee grote gemechaniseerde bedrijven die meer dan honderd mensen aan het werk hadden. De gemeentelijke gasfabriek en de vlasspinnerij van Dumonceau.

Deze machinale vlasspinnerij kwam voort uit het streven van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en Handel, om nieuwe industrieën naar de stad te halen. Eerst werd er een school geopend waar, voornamelijk vrouwen en meisjes, kosteloos konden leerden spinnen. In 1840 werd de N.V. Machinale Vlasspinnerij opgericht. De spinschool werd hierna overgedaan aan de Vrouwenvereniging tot bevordering van Werkzaamheid en Welstand onder de geringere Volksklasse. J.B.R.F. Dumonceau, graaf van Bergendal werd rond 1850 directeur van de vlasfabriek. Het grootste aantal werkende arbeiders was 178, in 1869. De productie werd voornamelijk overeind gehouden door de goedkope arbeidskracht van vrouwen en kinderen. Over de winstgevendheid is weinig bekend.

J.H. Schaper, rond 1890 een actief lid van de Groningse SDB, herinnert zich in zijn memoires dat het bedrijf uiteindelijk zelfs bij lage lonen over de kop ging, maar dat was pas na de staking en na de dood van Dumonceau.

In 1845 werd het bedrijf geprezen omdat er in meerderheid kinderen werkten, wat luiheid en ledigheid onder de jeugd zou tegengaan. In de loop van de tijd nam het aantal kinderen in het bedrijf af, mogelijk door de invoering van de Kinderwet van Van Houten in 1874. In 1851 werd prestatieloon ingevoerd en ten bate van kinderen ingetekend op de stedelijke soepuitdeling. Alleen de armste vrouwen schijnen in deze fabriek te hebben gewerkt. Op de vlasfabriek gingen veel vrouwen en meisjes in lompen gehuld en het kwam voor, dat deze vrouwen na het werk niets anders hadden om aan te trekken.

In 1885 werd er in de stad Groningen een afdeling van de SDB opgericht waarin acht vakverenigingen zich verenigden. Als trefpunt diende sinds 1888 het verenigingsgebouw 'De Toekomst', opgericht door de gelijknamige arbeiders- coöperatie, die er ook een bakkerij dreef. Tjerk Luitjes, een bekende socialist in deze provincie, schreef in het blad van de Sociaal Democratische Bond (SDB) Recht voor Allen over de vlasspinnerij Dumonceau: 'Alles draait en slingert en maakt lawaai zoals het gisteren deed en eergisteren en al den tijd dat het in beweging is geweest. Ondanks de beweging ligt er een kille doodschheid, een wanhopige moedeloosheid in dezen rusteloozen arbeid. Hoe zullen de vrouwen en meisjes dan goed kunnen zijn als des avonds hun een korte rust wordt gegund? Ze zijn geestelijk begraven geweest en ontwaken nimmer!'

De directe aanleiding tot de staking

Eind 1889 broeide er iets onder de arbeiders/sters bij Dumonceau. Per 1 januari 1890 zou de oude kinderwet van Van Houten vervangen worden door een nieuwe arbeidswet. Hierin zou overmatige en gevaarlijke arbeid door vrouwen en kinderen tegengegaan worden. Normaal werd er in de zomer 14 uur per dag gewerkt, in de winter 12 à 13 uur. Door het nieuwe wetsvoorstel zou dit voor de vrouwen en kinderen 11 uur worden. Er waren nogal wat bezwaren tegen dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer gericht, ook door het bestuur van de vlasspinnerij Dumonceau. Het voornaamste bezwaar van het bestuur betrof de verkorting van de arbeidsdag tot 11 uur. Er zou relatief meer geproduceerd worden bij een langere werkdag dan bij een verkorte arbeidstijd. Als eenmaal de machines draaiden, dan werd het werk lichter.

Ook de mannen zouden door de verkorte werktijd getroffen worden. Immers, zij zouden uren moeten inleveren omdat de vrouwen en kinderen minder productie draaiden en de mannen zouden dus ook minder gaan verdienen. Het bestuur vond daarom dat de arbeidsduur van de vrouwen aangepast moest worden aan die van de mannen, en pleitte dus voor handhaving van de oude situatie.

De werkelijke redenen van het bestuur kwamen bij het laatste punt dat zij aan de orde stelden: door de slechte woon- en verblijfsomstandigheden zouden de vrouwen en kinderen om zeven uur 's avonds al op straat rondlopen, dat was toch zeker geen wenselijke situatie. Geen woord over het feit dat de vrouwen minder gingen verdienen of dreigden ontslagen te worden. In december 1889 liet de directie laten dat er niet op een loonsverhoging gerekend hoefde te worden, daar hadden de arbeidsters via de opzichter Folkers om gevraagd. Dit, terwijl de inkomsten door minder uren te werken voor vrijwel iedereen in de fabriek erop achteruit zouden gaan.

De Staking

De 2e januari 1890 viel op een donderdag, betaaldag. De dag daarna zou de nieuwe situatie ingaan. Vrijdag 3 januari begon de staking. Opzichter Folkers, een wat onbesuisde man van een jaar of 30, sprak de bejaarde meesterknecht Houtman, die al 37 jaar bij de vlasfabriek in dienst was, erop aan dat er nog twee machines stilstonden. Deze gooide gelijk de sleutels neer, daarop legden ook de spinsters en haspelaarsters het werk neer, ongeveer 70 mensen in totaal. De opzichter had een slechte naam, hij schold en vloekte de arbeiders uit, hij had 'losse' handen en hem werd verweten het loonoverleg in december te hebben laten mislukken. Folkers nam de wijk naar huis, waar zijn woning door de politie werd beschermd om kapotte ruiten te voorkomen. De stakende vrouwen gingen joelend en zingend de stad door naar het gebouw 'De Toekomst'. Daar werd in een vergadering besloten niet meer aan het werk te gaan voordat aan een aantal eisen zou worden voldaan.

    De vrouwen wilden:
  • looncompensatie voor de daling van de inkomsten
  • ontslag van opzichter Folkers
  • afschaffing van het boetestelsel
  • intrekking van het ontslag door Folkers van drie meisjes
  • schadeloosstelling van verloren verdiensten door staking
  • toezegging dat van de haspelaarsters niemand ontslagen zou worden of extra zou worden gekort

Dumonceau bleek ziek te zijn, zodat de staaksters het eisenpakket bij de onderdirecteur en aandeelhouder Geertsema brachten. Op maandag 6 januari kwam het antwoord: geen verhoging van het loon, de vrouwen konden onder dezelfde condities weer aan de slag en indien er verder gestaakt werd, overwoog de directie sluiting en verkoop van de fabriek. Hierop verspreidden de staaksters een pamflet onder de burgerij waarin zij uitlegden dat hun toch al karige loon door de nieuwe wet nog verder achteruit ging. De meesten verdienden slechts fl. 1,50 per week.

Vooral de houding van de opzichter gaf de doorslag om te gaan staken. De meesterknecht, een oude man van zeventig jaar, werd lichamelijk bedreigd. De staaksters namen deze bedreiging hoog op. Recht voor allen riep haar lezers op om geld te doneren tbv. de staaksters. De Nieuwe Groninger Courant en de Nieuwe Provinciale berichtten dat de staking gesteund werd door de SDB. De Nieuwe Rotterdamse Courant merkte op dat dit nou het gevolg was van de nieuwe wetgeving. De Provinciale Groninger Courant (PGC) was van mening dat, indien er niet genoeg te verdienen viel, de fabriek beter opgeheven kon worden. De vlasspinnerij werd in Groningen nog steeds als sociale instelling beschouwd vanwege het grote aantal arbeidsplaatsen.

Het einde van de staking

Inmiddels was de staking een week oud. In de pers werd nog gekibbeld of de staaksters niet te snel het werk hadden neergegooid. Het was moeilijk een juist beeld van de cijfers van Dumonceau te krijgen. Achteraf bleek dat de staaksters het bij het rechte eind hadden. Hun loon ging wel terdege omlaag. Met alle steun van de SDB staakten de vrouwen verder. Luitjes nam het op voor de strijdende vrouwen in Recht voor allen door de rol van de opzichter Folkers nog eens onder de loep te nemen. Volgens hem was het ontslag van de opzichter voldoende om de vrouwen te kalmeren.

Opvallend is het plotselinge einde van de staking na drie weken. Terwijl de SDB op zondagochtend 19 januari een vergadering belegde en een toneelvoorstelling organiseerde ten bate van de staking, gingen de staaksters maandag 20 januari weer aan het werk. Zonder dat er ook maar één eis was ingewilligd. Waarschijnlijk was er in het weekend in het geheim toch een soort van overeenkomst gesloten tussen Dumonceau en de staaksters. De op dat moment verraste SDB had de staaksters nog wel een paar weken willen ondersteunen.

Er werden sindsdien minder boetes opgelegd en de houding van de opzichter was verbeterd. W.H. Vliegen merkt in zijn memoires op dat het aanzien van de fabrieksarbeidsters meespeelde, zij hadden een slechte naam, waardoor er maar weinig mensen waren die het voor hen opnamen. Mr. B. van Royen, burgemeester van Groningen en lid van Eerste Kamer achtte de wet naar aanleiding van de staking bij Dumonceau gevaarlijk. De meerderheid van de Eerste Kamer vond het landsbelang niet bedreigd. De nieuwe arbeidswet werd aangenomen. De vrouwenstaking lieten zij voor wat het was.

Jan Rootlieb/Floor van Gelder/Frits Snijder
november 2009

  • Samenvatting uit Jaarboek voor de geschiedenis van het socialisme en arbeidersbeweging in nederland 1976. SUN. F. van Gelder en F.Snijder .De staking van de stukarbeidsters bij de machinale vlasspinnerij van Dumonceau te Groningen in 1890. Blz. 157 - 179