Thomas wordt op 16 november 1854 geboren in Den Haag. Zijn vader werkt als vormersbaas bij Enthoven. De moeder van Thomas is een vooruitstrevende vrouw die al in de vroegste jaren betrokken is bij de vrouwenbond van de Sociaal Democratische Bond (SDB) en voor de SDB ook als spreekster optreedt. Hetgeen voor die tijd voor een werkmansvrouw heel bijzonder is. Het gezin waarin Thomas opgroeit behoort tot de Evangelisch Lutherse gemeente in Den Haag. Ferdinand Domela Nieuwenhuis is tot 1879 predikant van deze gemeente. Thomas komt net als zijn vader te werken bij Enthoven. Behorend tot de best betaalde vaklieden verdient hij 13 cent per uur. In doorsnee wordt er 100 uur per week gewerkt. Om aan 100 werkuren te komen is veel avond- en nachtwerk nodig. Wordt er minder dan 100 uur gewerkt dan spreekt men van slapte. Het werk vangt aan 's morgens om 6 uur. Op maandag wordt er doorgewerkt tot 19.30 uur, op dinsdag tot 22.00 uur, op woensdag tot 23.00 uur, al wordt er ook wel de nacht doorgewerkt, donderdag tot 23.00 uur, vrijdag de nacht door en zaterdags tot 18.00 uur. In zijn 'vrije tijd' houdt Thomas zich bezig met het opkopen en repareren van oude horloges om deze op de fabriek te verloten. Als Nieuwenhuis de kerk verlaat en zich bekeert tot het socialisme wordt hij daarin gevolgd door de moeder van Thomas. Thomas komt opnieuw onder het gehoor van Nieuwenhuis en wordt actief in de SDB. Omdat hij metaalbewerker is en ervaring heeft opgedaan bij de cavalerie wordt hij in de jonge socialistische beweging aangesteld tot 'chef' van de wapenkamer en geeft hij schermlessen. De wapenkamer wordt er op na gehouden om voorbereid te zijn op de dag van de revolutie. Om de wapenvoorraad aan te vullen worden bij Enthoven oude vijlen omgesmeed tot dolken.
In 1890 verschijnt Thomas voor een verhoor voor de Staatscommissie. In dit verhoor geeft hij aan hoe de werktijden en arbeidsomstandigheden bij Enthoven zijn. Opmerkelijk is zijn verschijnen voor deze enquêtecommissie wel, aangezien in 1887 door het hoofdbestuur van de dan nog geen jaar oud zijnde bond geen heil wordt gezien in het onderzoek van de in dat jaar ingestelde parlementaire enquête. Geheel afzijdig wil ze echter ook niet blijven. Thomas stuurt derhalve als secretaris van de bond een brief naar de enquêtecommissie. Naast enige informatie over de arbeidsvoorwaarden bij enige bedrijven in Den Haag, wordt er in de brief vooral van leer getrokken tegen het onderzoek, aangezien bij voorgaande onderzoeken in 1841 en 1860/61 ook niets ter verbetering van het lot van de arbeider is gedaan.
In latere jaren buigt Thomas levenslijn wel wat ver van het revolutionaire pad af. Omstreeks 1900 is hij actief lid van het Leger des Heils. Hij blijft dat een viertal jaren en keert dan weer terug tot de arbeidersbeweging. Een actieve rol heeft hij daarin niet meer gespeeld.