U bevindt zich hier: Vakbonden/Bond van Nederlandsche Gemeentewerklieden

Bond van Nederlandse gemeentewerklieden: Ons Belang

Zodra er in Nederland sprake is van een centraal bestuur groeit de behoefte aan beheren en beheersen. Met het groeien van de overheidstaken groeit ook de behoefte aan personeel om deze overheidstaken uit te voeren. Het corps ambtenaren laat een steeds grotere verscheidenheid aan functies zien. Van straatmaker tot generaal en van referendaris tot vuilophaler. Ambtenaren zijn werknemers in dienst van de overheid en dat brengt een werkgevers-werknemers relatie met zich mee die lang niet altijd goed uitpakt voor de werknemers. Het is deze verscheidenheid aan functies waardoor een kleurrijke geschiedenis ontstaat van ambtenaren en hun bonden. Standsverschillen spelen daarbij een grote rol.

Een waaier aan organisaties

De eerste vorm van krachtenbundeling onder het overheidspersoneel bestaat uit organisaties die onderscheid maken naar beroep, rang, dienst of bedrijf. Door de uitbreiding van de overheidstaken - PTT, belastingen, publieke werken, gas- en elektriciteitsvoorziening, tram, reiniging - ontstaan rond 1900 vele bondjes van werklieden in overheidsdienst en verenigingen van allerlei categorieën ambtenaren. Deze organisaties zijn beperkt tot stad of streek of uitsluitend naar beroep georganiseerd. Door aaneensluiting ontstaan in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw landelijke organisaties. Omstreeks 1920 hebben zich de vier richtingen die zich onderscheiden in de arbeidersbeweging zich ook afgetekend in de organisatie van het overheidspersoneel: de moderne of sociaal-democratische, de neutrale, de rooms- katholieke en de protestants-christelijke. Ambtenaren zijn van oudsher sterk vertegenwoordigd in 'neutrale' categorale bonden. Binnen de vier richtingen vormen zich centrales van overheidspersoneel die meerdere bonden omvatten.

Weduwe en wezen

De vroegste organisatie onder ambtenaren vinden we in de zogenaamde pensioenbeweging. Reeds in 1802 wordt door het toenmalige staatsbewind het beginsel van pensioenvoorziening erkend. In 1805 wordt het eerste pensioenfonds ingesteld voor de ambtenaren van de indirecte belastingen (accijnzen). Vier jaar later worden de ambtenaren verplicht zelf een deel van de pensioenkosten te dragen en worden kortingen op het loon toegepast. Na de 'Franse tijd' in 1814 geeft de Nederlandse Staat haar ambtenaren recht op een premievrij pensioen van 2/3 van het salaris. Er wordt 68 miljoen in het pensioenfonds gestort. Echter tussen 1830 en 1840 verdwijnt dit geld zonder besteed te zijn aan pensioenen. Door de jaren heen wordt de pensioenregeling nogal eens veranderd. Opvallend is echter dat reeds in 1815 de pensioengerechtigde leeftijd op 60-jaar wordt gesteld of bij 40-dienstjaren. Bij Koninklijk Besluit worden in 1836 het weduwe- en wezen pensioen ingetrokken. Bij de behandeling van de pensioenwet in 1846 wordt door een deel van volksvertegenwoordiging de plicht van de staat om zijn ambtenaren te pensioneren ontkent en een ander deel noemt pensioen zelfs het najagen van socialistische utopieën. De wet kent nog wel een recht op pensioen toe aan weduwe- en wezen, maar tot uitkeren zal het niet komen. Door de schrijnende armoedeval na 1836 van de weduwe- en wezen van ambtenaren komt er, zij het langzaam, een beweging opgang. Op 13 januari 1854 komen ambtenaren uit de provincie Friesland bijeen in Leeuwarden. Besloten wordt een adres te zenden aan de koning met het verzoek aan weduwe- en wezen van ambtenaren wederom een pensioen toe te kennen. Een jaar later wordt er ook in Zwolle een adresbeweging op touw gezet. Het adres uit Zwolle wordt door meer dan duizend ambtenaren ondertekend. Noch op het adres van 1854, noch op dat van 1855 wordt antwoord gegeven. Men houdt de ambtenaren kalm aan het lijntje en als in 1863, wederom uit Zwolle, een adres wordt gestuurd, wordt ook daar geen antwoord opgegeven. Als enkele hoofdambtenaren in 1872 de koning en de Tweede Kamer er op wijzen dat er nog nimmer geantwoord is op de ingediende adressen krijgen zij eindelijk antwoord. De korting op de lonen voor het pensioen wordt afgeschaft en daarmee kunnen de ambtenaren het doen.

Het pensioenverbond

Zijn het bij de 'adresbeweging' voornamelijk de hogere ambtenaren die een rol spelen. Vanaf 1863 komen de lagere ambtenaren meer op de voorgrond. Aan het hoofd van deze ambtenaren staat J. Griek. Als bij het overhandigen van een adres aan Betz, de minister van Binnenlandse Zaken, deze meedeelt dat een wet in voorbereiding is tot afschaffing van de korting op het loon, antwoordt Griek: 'Excellentie, dit is de grootste ondienst, die U.E. den burgerlijke ambtenaar kunt bewijzen, want het maakt een inbreuk op de bate van het fonds, en onze weduwen en weezen zijn er niet mede gebaat; niet één ambtenaar zal U.E. daarvoor dankbaar zijn.' In 1868, 1869 en 1870 wordt opnieuw geadresseerd. Het gebrek aan resultaat doet het inzicht groeien dat met een enkel verzoek, hoe redelijk ook, geen concessie van de regering verwacht kan worden. Dit inzicht leidt tot het oprichten van het 'Pensioenverbond'. Voorafgaand aan deze oprichting zijn er op diverse plaatsen commissies opgericht ter verkrijging van een weduwe- en wezenpensioen. Vierendertig vertegenwoordigers uit tien plaatselijke commissies, waar onder die van Leeuwarden, Groningen en Assen, komen op 28 augustus 1876 te Utrecht bijeen en richten het Pensioenverbond op. Door een rekwest in te dienen bij de regering slagen ze er in een Staatscommissie ingesteld te krijgen. Deze commissie doet er twee jaar over om een rapport uit te brengen met een aller bedroevendste conclusie: het wordt te duur; een ambtenaar zal 1/5 van zijn salaris moeten offeren om het weduwe- en wezenpensioen te bekostigen. Het Pensioenverbond dient een nota in met bezwaren tegen het rapport van de staatscommissie. De druk die hiermee wordt uitgeoefend doet de minister besluiten opnieuw een staatscommissie in te stellen.

Deze commissie doet ook twee jaar over het opstellen van een rapport, maar de conclusie in dit rapport is beduidend beter: met de middelen van het pensioenfonds kan een weduwe- en wezenfonds worden gesticht. De werkelijke uitvoering zal nog enkele jaren kosten, maar de verwezenlijking van haar doelstelling doet het Pensioenverbond in 1890 besluiten om zichzelf op te heffen.

Ons Belang

De Leeuwarder Vereeniging van Gemeentewerklieden 'Ons Belang' wordt op 25 september 1899 opgericht op initiatief van Nicolaas van Hinte. Voorafgaand aan de oprichting verschijnen er in het blad 'Arm Friesland' een tweetal artikelen over de arbeidsomstandigheden van de gemeentewerklieden. Op een avondbijeenkomst, belegd om de grieven van de gemeentewerklieden te bespreken, voert Ds. W.G. Melchers, een vrijzinnig predikant, het woord. Die avond geven 51 aanwezigen te kennen tot de vereniging te willen toetreden. Kort nadien komt er - opnieuw een initiatief van Van Hinte - een Bestuurdersbond in Leeuwarden (LBB) tot stand. Opmerkelijk is dat Van Hinte deel uitmaakt van het bestuur, eerst als secretaris later als voorzitter, zonder dat er melding wordt gemaakt dat Ons Belang is toegetreden. Desondanks komen in de LBB regelmatig zaken aan de orde in het belang van de gemeentewerklieden. Zo wordt er een ontslag van een gemeentewerkman bij het college van Burgemeester en Wethouders aangevochten en ongedaan gemaakt. Als Ons Belang voor de gemeentewerklieden een loonsverhoging vraagt, wordt dit ondersteund door het LBB met een adhesie betuiging. In 1901 zal het Ons belang zijn die de stoot geeft tot de oprichting van de Bond van Nederlandsche Gemeentewerklieden. In 1905 telt Ons belang, dan afdeling van de Bond van Nederlandsche Gemeentewerklieden, 100 leden.

Bond van Nederlandsche Gemeentewerklieden

De Bond van Gemeentewerklieden is één van de vijftien organisaties, die in 1905 het NVV oprichten. Het is de belangrijkste voorloper van de Algemene Bond van Ambtenaren (Abva) zowel in ledental als naar activiteiten gerekend. Met 2.650 leden in 1906 is ze naar grootte de tweede bond binnen het NVV. De Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) gaat haar met 7.700 leden voor.

Van Hinte gebruikt de verkiezingscampagne van de SDAP in 1901 als platform om in contact te komen met leiders van gemeentewerkliedenbonden in andere plaatsen. Die contacten leiden er toe dat op 27 mei te Utrecht een congres plaats vindt waar de Bond van Nederlandsche Gemeentewerklieden wordt opgericht. Bij oprichting telt de nieuwe organisatie tien afdelingen met gezamenlijk 1.400 leden. Van Hinte wordt in 1905 de eerste bezoldigde bestuurder met een jaarloon van duizend gulden. Een loon dat overeenkomt met het loon van een werkman in overheidsdienst. In een brochure geeft de bond een verklaring voor haar bestaansrecht: 'De gemeentewerklieden nemen onder de arbeiders een eigenaardige plaats in. Bij hen treedt minder op de voorgrond het vakman zijn en veel meer het in dienst zijn van een bestuurslichaam. Deze eigenaardigheid hebben ze gemeen met de rijkswerklieden, met de marinematrozen en marinestokers. (...) We zien, dat de gemeentewerklieden niet de verbetering in hun positie trachten te verkrijgen door zich als timmerman, smid, fitter, sjouwerman aan te sluiten bij de respectievelijke vakverenigingen. Hun verhouding tegenover de gemeente weegt zwaarder dan hun werkman zijn, en zemen dan ook een afzonderlijke vakvereeniging.' Het programma van de bond bevat dan ook punten die rekening houden met die bijzondere situatie, zoals alle gemeentewerken uitvoeren in eigen beheer en het instellen van scheidsgerechten voor het beslechten van geschillen inzake de rechtspositie. De bond maakt zich sterk voor algemeen kiesrecht. Voor organisaties van werknemers in overheidsdienst heeft het kiesrecht een dubbele betekenis. In algemene zin vanwege de (politieke) emancipatie van de werknemers, maar ook de hoop dat er na de invoering van het algemeen kiesrecht er een meer werknemers gezinde werkgever wordt gekozen.

Nadat ook groepen werklieden in dienst van de polders en de provincies zich aansluiten wijzigt de naam van de bond in 1914 in 'Nederlandsche Bond van Werklieden in Openbare Dienst en Bedrijven'. Door een fusie in 1920 met de 'Algemeene Nederlandsche Rijkswerkliedenbond - opgericht op 1 januari 1900 - wijzigt de naam zich in: 'Nederlandse Bond van Werklieden in Overheidsdienst'. De bond heeft dan ruim 15.000 leden. In 1924 volgt nogmaals een naamswijziging. Werklieden wordt vervangen door: personeel.

Literatuur
  • George Evers, Harry Peer en Geerten Schrama, Symbool van vertrouwen. Uit de geschiedenis van de Abva (Nijmegen 1983)
  • Rienk J. de Jong, Na honderd jaren strijd 1898-1998. Leeuwarder Bestuurders Bond. FNV afdeling Leeuwarden. (Leeuwarden 1998)
  • J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland I (Amsterdam 1926)
  • Harry Peer, Hinte, Nicolaas van, in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 3 (Amsterdam 1988)
  • Louis J.C. Poppe e.a., Gedenkschrift van de Vereeniging van Kommiezen bij >s Rijksbelastingen in Nederland (Schiedam 1917)
  • Pieter Terpstra, Opkomst en strijd van de arbeidersbeweging in Friesland (z.pl. z.j.)

© Dik Nas / Vakbondshistorische Vereniging
10 november 2000