Sinds 1890 werd er op 1 mei gedemonstreerd voor de achturendag door de steeds sterker wordende arbeidersbeweging. Acht uur werk, acht uur slaap en acht uur vrije tijd was het doel. In Nederland gebeurde dit door de Sociaal Democratische Bond, de oude beweging van Domela Nieuwenhuis en het daar aan gelieerde Nationaal Arbeids Secretariaat.
Na de oprichting van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij in 1898, en het Nederlands Vak Verbond in 1906, zetten deze organisaties dit streven naar de achturendag voort.
De SDAP in het parlement, het NVV in de door haar georganiseerde sectoren van het bedrijfsleven. In een tijd waarin elf á twaalf uren werken per dag heel gewoon was, begrepen de leiders van de SDAP en het NVV dat er een tussenstap moest worden gemaakt naar een tien uren werkdag. De stap in één keer naar acht uur was te groot. Het NVV, dat zich als jonge moderne organisatie wilde profileren, werkte soms samen met het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond en, in mindere mate, met het NAS. Het NAS was revolutionair en buitenparlementair gericht en wilde de stap naar een achturendag in één keer maken.
J.H.A. Schaper, fractielid van de SDAP in de Tweede Kamer diende op 24 december 1906 een motie in met de volgende inhoud: "De Kamer, van oordeel dat, naast de grootst mogelijke beperking van den nachtarbeid en betere bescherming van kinderen en jeugdige personen, de wettelijke beperking van den arbeidsduur voor alle volwassen arbeiders, en wel tot tien uren per etmaal, gewenscht is". De motie werd steeds aangehouden door de confessionele minister Talma voor onderzoek.
Het NVV besloot tot onderzoek naar de arbeidstijden. Het werd een onderzoek in boekvorm: 'Arbeidersleven in Nederland', en verscheen in 1908. Schokkend waren de uitkomsten, gemiddeld werd meer dan elf uur per dag gewerkt, zes dagen lang. Bakkers werkten tachtig uur per week en nachtarbeid was heel gewoon. In andere sectoren werd door overwerk en gebrek aan personeel vijfentwintig à zesendertig uur onafgebroken doorgewerkt! In wezen was de rapportage nog gunstig, er waren voorbeelden die nog ergere toestanden deden vermoeden!
De motie van Schaper werd tijdens de behandeling in 1909 in de tweede kamer verworpen. Wel werd de motie van de katholiek Aalberse aangenomen. Die luidde als volgt: "De kamer van oordeel, dat behoudens dringend noodzakelijke uitzonderingen en overgangs bepalingen, de wettelijke beperking van den arbeidsduur voor de volwassen arbeiders, en we tot tien uren per etmaal gewenscht is."
Door het jarenlang dralen van de regering kreeg Schaper de opdracht van de SDAP om een ontwerp wettekst te maken. Hiermee kon de politieke druk op de regering opgevoerd worden. Zowel in mei 1910 te Rotterdam als in maart 1911 te Amsterdam werden de eisen met grote manifestaties kracht bijgezet. Naast de tien urendag wilde men van de nachtarbeid, indien niet strikt noodzakelijk, af! Voorts wilde men een beperking van arbeid voor vrouwen en kinderen invoeren. Kinderen onder 14 jaar mochten niet werken er werd een eerste aanzet van zwangerschapsverlof ontwikkeld!
Juli 1911 werd de ontwerp wettekst van Schaper ingediend bij de tweede kamer. Stukje bij beetje werd zo de oude arbeidswet van 1889 belangrijk ten goede bijgesteld. Voor jongeren en vrouwen werd het haast onmogelijk om 's nachts te werken. Maar de tien urendag vond de antirevolutionaire minister Talma in deze wet niet op z'n plaats. Zijn bedoeling om naast de bakkers meerdere beroepen te beschermen mislukten. Zelfs de wet om bakkers tegen nachtarbeid te beschermen werd weggestemd!
Je kunt het de tragiek van de anti revolutionair minister Talma noemen dat hij, ondanks zijn christelijk socialistische sympathieën, in het kabinet Heemskerk (1908-1913) niet meer heeft kunnen bijdragen ter verbetering van het lot van de arbeiders.
Toch is duidelijk te zien dat het langdurig proces van onderzoek, standpuntbepaling, parlementair en buitenparlementair actie, stap voor stap, succes kreeg. En dit ondanks een linkse minderheid in het parlement!
De term 'Moderne Vakbeweging' kreeg in deze periode steeds meer gestalte. Uiteraard had het NVV nog niet bereikt wat het wilde. Toch kwam er scherpe kritiek van het NAS, zij sprak van verraad aan de acht urendag. Tussenstappen waren volgens deze visie niet mogelijk.
Pas acht jaar later zal de strijd voor de acht urendag in een stroomversnelling komen door dreiging van de revolutionaire situatie in Europa en dus ook Nederland van na de eerste wereldoorlog. De regering kwam zelf met een besluit tot het invoeren van een acht uren dag door de industrie en een werkweek van 45 uur! Al snel werden onder druk van de ondernemers en de crisis van 1920 weer veel maatregelen te niet gedaan. Het zou tot ná de crisis van de dertiger jaren, en tot ná de wederopbouw in de jaren vijftig van de twintigste eeuw duren voordat de discussie en uitvoering van de acht urendag weer opgepikt werd.
Jan Rootlieb