De MHP werd op 10 april 1974 opgericht als Raad van Overleg voor Mediaal en Hoger Personeel om de specifieke belangen van een groeiende groep 'anders' georganiseerden te behartigen.
Voorafgaand aan de MHP waren er een aantal kleine werknemers- en werkgeversorganisaties, waaronder de NCHP en de Contactgroep voor de metaalindustrie, die zoals minister Boersma dat noemde, 'de kleine Stichting van de Arbeid' vormden. Alleen 'aanhoren' van wat in de 'grote' SvdA was besproken bevredigde niet. Dat was een van de belangrijkste aanleidingen om de Raad MHP op te richten.
De eerste vijf jaar na WOII namen de verschillen in inkomens af. Daarna viel er weer een toename van die verschillen waar te nemen. Dit werd onder meer veroorzaakt door invoering werkclassificatie. Dat gebeurde met de instemming van bestuurders en deskundigen van de bedrijfsbonden. De betergeschoolden vonden de cao-lonen te laag. Een indeling in 'ongeschoolden, geoefenden en geschoolden' was feitelijk achterhaald. Ook prestatiebeloning, in vorm van toeslagen bovenop de cao-schalen, zorgde voor grotere verschillen. Veel vakbonden waren tegen prestatiebeloning.
Ook met de salarisschalen in de cao's voor administratief, technisch, leidinggevend en toezichthoudend personeel kon functionele beloning en een acceptabel extra loon voor de wijze van functievervulling niet voldoende worden gerealiseerd. De slogan: 'centen in plaats van procenten' en de stakingen hiervoor verhoogde de organisatiegraad van de middengroepen en het hoger personeel.
In de jaren zeventig wonnen de hoofdarbeiders aan invloed. Categorale verenigingen van hoger personeel worden opgericht in verschillende bedrijfstakken, maar vooral in ondernemingen, en kwamen in verzet tegen nivellering. De Nederlandse Centrale voor Hoger Personeel (NCHP) telde in 1975 35 duizend leden. De Centrale voor Hogere Ambtenaren 15 duizend.
In 1972 werden in het arbeidsvoorwaardenbeleid van veel bedrijfsbonden uitbreiding van de werkingssfeer van cao's en nivellering van inkomens opgenomen. Bij de middengroepen waren het vooral de uit het NKV getreden Unie BLHP met 35 duizend leden en de BVA met 9 duizend leden die de nivellering afwezen. Zij waren voorstanders van een op de resultaten van functiewaardering gebaseerde salarisstructuur en een realistische en doorzichtige wijze van belonen voor de wijze van functievervulling.
Het standaardwerk van J.P. Windmuller over de Arbeidsverhoudingen in Nederland, bewerkt door C. Galan en A. F. van Zweeden bevat een hoofdstuk [VIII-pag. 268] "Vakbeweging, structuur en organisatie". Hierin wordt, onder twee kopjes, aandacht besteed aan 'De niet-erkende vakverenigingen' en 'Hoger personeel organiseert zich'. Ik citeer hierna voornamelijk uit de Aula Pocket 731, zesde druk 1987.
"Op 21 september 1959 dienden 58 hoogleraren een memorandum in bij de regering waarin zij het recht verdedigden van vakverenigingen die niet bij de grote vakcentrales waren aangesloten, om met werkgevers en overheid te onderhandelen en overleg te plegen en om erkend te worden als vertegenwoordiger van ongeveer 20% van alle georganiseerde werknemers".
De middengroepen waren georganiseerd in beroepsverenigingen en vakbonden, die deels bij de drie erkende vakcentrales waren aangesloten en deels bij organisaties buiten deze centrales. Bij de presentatie in 1946 van het reorganisatieplan voor 'bedrijfstakgewijze organisatie' werden de eerste onder zeer zware druk gezet. Uitvoering van het plan zou feitelijk het einde betekenen van de beroepsorganisaties van beambten en bedienden bij de drie 'erkende' vakcentrales.
"Sedert het midden van de jaren zestig is een ontwikkeling in de categorale gelederen aan de gang, die voor de Nederlandse vakbeweging grote betekenis heeft. In 1966 is uit een fusie van de Nederlandse Vereniging van Hoger Personeel en haar katholieke en protestantse zusterorganisaties de Nederlandse Centrale van Hoger Personeel ontstaan (NCHP). Deze centrale is opgebouwd uit verenigingen per bedrijfstak of onderneming, ook een voorbeeld van bedrijfsgewijze opbouw. De NCHP is snel gegroeid, vooral in de jaren zeventig. Waren er in 1972 ongeveer 14.000 leden, dit aantal was eind 1975 opgelopen tot 36.000."
De NCHP en de Centrale voor Hogere Ambtenaren (CHA) werkten toen al federatief samen. Samen met de NHRV, de NBMHP (voorheen NBT) en De Buitendienst werd de Raad MHP opgericht. De BVA, Unie BLHP en NCHRV werden per 1 januari 1975 definitief lid. Vanaf dat moment had de MHP dus een duidelijke achterban van middengroepen en hoger personeel. De Raad van Overleg werd vakcentrale en veroverde zich een positie in het 'centraal overleg' (SER, Stichting v/d Arbeid en overheid). De MHP-organisaties CMHF, NCHP en Unie BLHP telden elk meer dan 30.000 leden. De Raad MHP telde ultimo 1975 circa 130.000 leden. (zie ook www.vakbondshistorie.nl 'Kwart eeuw MHP')
Aan de onderhandelingstafels in de bedrijfstakken en ondernemingen waren de BVA, NBT en Unie BLHP al sinds jaar en dag partij. Toen ook de arbeidsvoorwaarden voor het hoger en middelbaar en hoger personeel collectief werden geregeld schoof ook de Verenigingen van Hoger Personeel aan tafel. Bij de MHP Vakcentrale voor Middengroepen en Hoger Personeel is een deel van de (categorale) onafhankelijke beroeps- en vakverenigingen aangesloten. De organisatiestructuur van de MHP draagt daar de sporen van en is daarom niet goed vergelijkbaar met die het CNV en de FNV.
Belangenbehartiging op alle niveaus vroeg om een bundeling van krachten. Maar de weg daar naar toe was lang. Kennelijk was het opheffen van een aantal eigen vakorganisaties voor hoofdarbeiders en de bedrijfstakgewijze organisatie nog niet voldoende reden om tot een optimaal verzet van middengroepen en hoger personeel te komen. Het duurde meer dan een kwart eeuw voordat nivelleringsbeleid en uitbreiding van cao's, middengroepen en hoger personeel bijeen brachten. Ger Harmsen en Bob Reinalda schreven in 'Voor de bevrijding van de arbeid': "Het is niet denkbeeldig dat al deze organisaties -..... - in de toekomst een vierde vakcentrale vormen". Door de fusie van NKV en NVV in FNV werd de MHP de derde vakcentrale.
De MHP staat voor kenniswerkers. Op het congres 2009 van De Unie staat de kenniswerker centraal. Daar duidelijkheid gemaakt worden wat dat op het niveau van bedrijfstak, sector, concern en onderneming betekent.
Geert Wagenaer
april 2009